In de theaterwereld worden veel vaktermen gebruikt. Om je wegwijs te maken in het jargon van de musical- en theatersector, hebben we de belangrijkste termen hieronder per categorie verzameld.
Spring naar:
Cast en rollen | De voorstelling | Repetities en tradities | Techniek en decor | Het theater
Cast en rollen | De voorstelling | Repetities en tradities | Techniek en decor | Het theater
Cast, rollen en creatives
De mensen die de productie voor en achter de schermen tot stand brengen.
- Alternate
- Een speler die een grote rol deelt met de eerste bezetting en op vaste dagen speelt (bijv. 2 van de 8 shows per week).
- Antagonist
- De tegenspeler van de hoofdrolspeler, vaak de 'schurk' of de persoon die het conflict veroorzaakt.
- Cast
- De volledige groep spelers die deel uitmaakt van een productie.
- Casting
- Het proces van het zoeken en selecteren van de juiste acteurs voor de rollen.
- Choreografie
- De ontworpen dansbewegingen en routines in een productie.
- Dance Captain
- Een castlid dat verantwoordelijk is voor het bewaken van de choreografie en het inwerken van understudies en vervangers.
- Dramaturg
- De persoon die adviseert over de inhoudelijke opbouw, historische context en de betekenis van het script.
- Ensemble
- De groep zangers en dansers die de wereld van de musical tot leven brengt en vaak meerdere kleine rollen speelt.
- Figurant
- Iemand die meespeelt op het toneel maar geen tekst heeft.
- Protagonist
- De hoofdrolspeler; het personage waar het verhaal om draait.
- Resident Director
- De regisseur die dagelijks bij de productie aanwezig is om de artistieke kwaliteit te bewaken nadat de oorspronkelijke regisseur is vertrokken.
- Swing
- Een 'onzichtbare' kracht die geen vaste rol heeft, maar alle ensemble-posities kent en direct inspringt als er iemand uit het ensemble afwezig is.
- Understudy
- Een ensemblelid dat ook een hoofdrol heeft ingestudeerd en inspringt als de hoofdrolspeler of alternate niet kan spelen.
- Walk-in cover
- Een acteur die niet vast in de cast zit, maar op afroep beschikbaar is om rollen over te nemen bij ziekte of verlof.
De Voorstelling en genres
Termen die te maken hebben met de opbouw en de uitvoering van de show.
- Akte
- Een hoofdonderdeel van een voorstelling. De meeste musicals bestaan uit twee akten, gescheiden door een pauze.
- Ballade
- Een langzaam, verhalend en vaak emotioneel lied in een musical.
- Dernière
- De allerlaatste voorstelling van een speelperiode of tournee.
- Intermission
- De pauze tussen de akten van de voorstelling.
- Jukebox Musical
- Een musical waarbij bestaande popsongs (vaak van één artiest) worden gebruikt als basis voor het verhaal (bijv. Mamma Mia!).
- Libretto
- Het tekstboek van de musical, inclusief alle gesproken dialogen en gezongen liedteksten.
- Matinee
- Een voorstelling die in de middag plaatsvindt.
- Première
- De officiële openingsavond voor de pers en genodigden.
- Reprise
- Het herhalen van een lied later in de show, of het opnieuw uitbrengen van een succesvolle productie na een aantal jaar.
- Synopsis
- Een korte samenvatting van het verhaal van de voorstelling.
- Try-out
- Proefvoorstellingen met publiek om de reacties te peilen en de show te finetunen voor de première.
Repetities en tradities
Wat er gebeurt tijdens de voorbereiding en de ongeschreven regels van het vak.
- Break-a-leg / Toi Toi Toi
- Traditionele wensen voor succes. In het theater wordt het woord 'succes' vaak vermeden omdat dit ongeluk zou brengen.
- Calltime
- Het exacte tijdstip waarop een acteur of crewlid in het theater aanwezig moet zijn.
- Doorloop
- Een repetitie waarbij de hele voorstelling (of een akte) zonder stops achter elkaar wordt gespeeld.
- Italiaantje
- Een tekstrepetitie waarbij de acteurs hun teksten op zeer hoog tempo opzeggen zonder te acteren, om de tekstkennis te testen.
- Notes
- De feedback en aanwijzingen die de regisseur geeft na afloop van een repetitie of voorstelling.
- Sitzprobe (SITPRO)
- De eerste repetitie waarbij de cast en het orkest voor het eerst samen de muziek doornemen, zonder choreografie of kostuums.
- Theateretiquette
- De ongeschreven regels voor het publiek, zoals niet praten tijdens de show en het uitzetten van telefoons. Meer hierover lees je op deze pagina.
Techniek, decor en toneel
De fysieke wereld op en rondom het speelvlak.
- Blackout
- Een technisch moment waarbij alle lichten op het toneel tegelijk uitgaan. Als een acteur zijn tekst vergeet, wordt dit ook wel een 'blank' of een persoonlijke black-out genoemd.
- Cour / Jardin
- Cour is de rechterkant van het toneel en Jardin de linkerkant (gezien vanuit de zaal).
- Cue
- Het afgesproken teken (een woord of lichtsignaal) waarop een acteur moet beginnen of de techniek een actie moet uitvoeren.
- Gobo
- Een metalen of glazen plaatje in een schijnwerper om een patroon, vorm of logo op het toneel te projecteren.
- Trekkenwand
- De hijsinstallatie boven het toneel waarmee decorstukken en doeken in- en uit het zicht van het publiek worden gehaald.
- Vierde wand
- De denkbeeldige wand tussen het toneel en het publiek. Het 'doorbreken' van de vierde wand gebeurt wanneer een acteur direct tegen het publiek praat.
Het theater
De verschillende ruimtes die je als bezoeker of artiest tegenkomt.
- Artiestenfoyer
- De kantine en ontspanningsruimte voor de cast en crew, niet toegankelijk voor publiek.
- Engelenbak
- De hoogste en vaak goedkoopste rang in een theater, vlak onder het plafond.
- Foyer
- De centrale hal van het theater waar publiek voor de show en in de pauze kan samenkomen.
- Orkestbak
- De verdiepte ruimte voor of onder het toneel waar het live-orkest plaatsneemt.



