Tips? Mail redactie@musicalweb.nl

Theatertermen

Theatertermen

In de theaterwereld worden veel vaktermen gebruikt. Hieronder een overzicht van een groot aantal termen die regelmatig worden gebruikt en de bijbehorende uitleg.

A

Achterdoek
Dit is meestal een zwart doek dat achter op het toneel hangt.

Afbreken
Het opruimen van het decor en alle rekwisieten.

Afgang
Het verlaten van het toneel door een speler.

Akoestiek
Kwaliteit van het geluid in de zaal.

Akte
Het aantal delen waarin een voorstelling wordt gespeeld, meestal twee.

Alternate
Speler die de rol deelt met een voor die rol gecaste speler. Vaak spelen alternaties op vaste dagen.

Amateurtoneel
Spelers die graag toneelspelen maar hier geen geld voor krijgen.

Amfitheater
Rond, open theater oorspronkelijk uit de Romeinse oudheid.

Antagonist
Een tegenspeler op het toneel.

Anticlimax
Indien spanning wordt opgebouwd maar teleurstellend afloopt.

Applaus halen
Terwijl het publiek klapt komen de spelers het toneel op en buigen als dank voor de waardering.

Applaus melken
Net voordat het publiek wil stoppen met klappen komen de spelers weer het toneel op om het applaus langer te laten duren.

Arenatoneel
Een toneel in het midden van de zaal waarbij het publiek rondom het toneel zit.

Artiestenfoyer
Bar en kleedkamers voor alleen de mensen die aan de voorstelling werken.

Auditie
Proefoptreden specifiek voor een rol in een voorstelling waarmee acteurs en actrices moeten tonen wat ze kunnen.

Auteur
De schrijver van een voorstelling.

Avant-première
De allereerste voorstelling met publiek.


B

Backstage
Hetgeen zich allemaal achter de schermen afspeelt en niet zichtbaar is voor publiek.

Bakkie
Een schijnwerper.

Barndoor
Kleppen aan een spot die verstelbaar zijn.

Bezetting
De rolverdeling.

Blackout
Speler die zijn tekst niet meer weet.

Blijspel
Een vrolijke komische voorstelling.

Blooper
Als er iets fout gaat tijdens een voorstelling.

Break-a-leg
Het wensen van succes aan een speler.

Bühne
Het toneel / podium.

Buiging
Spelers buigen als dank voor het applaus.


C

Cabotineren
Overdreven acteren.

Cast
Alle spelers die deel uitmaken van een productie vormen samen de cast.

Casting
Zoeken van geschikte acteurs voor de rollen van een voorstelling.

Cue
Het specifieke moment waarop een speler wacht om te spreken of om een bepaalde handeling uit te voeren.

Changement
Wisselen van decor van tijdens de voorstelling of in de pauze.

Climax
Een hoogtepunt in de show waar qua spanning naar toe is gewerkt.

Claque
Mensen die worden ingehuurd om op gewenste momenten te klappen. Deze mensen zitten tussen de overige mensen in de zaal.

Claus
Passage in een voorstelling.

Coucheren
Het afdekken / afschermen van iemand op het toneel.

Coulissen
De ruimte aan de zijkant van het toneel waar de spelers vandaan komen.

Couperen
Een speler zijn tekst niet laten uitspreken.

Cour
Rechterkant van het toneel vanuit de zaal bekeken.

Crux
Omslagpunt in het verhaal van een voorstelling.


D

Debuut
De eerste keer dat een speler publiekelijk speelt.

Dernière
De laatste voorstelling.

Doddelen
Een speler die zich verspreekt of stottert.

Doorloop
Het doorlopen / repeteren van de hele voorstelling,

Donkerslag
Alle lichten gericht op het toneel gaan uit.

Dresscode
Kledingvoorschrift voor bijvoorbeeld een première.

Dubbelrol
Een speler die meerdere rollen speelt in een voorstelling.


E

Eenakter
Een voorstelling dat bestaat uit één akte, dus zonder pauze.

Engelenbak
Dit was vroeger de hoogste en tevens de goedkoopste zitplaats.

Ensemble
Groep dansers/zangers die in een voorstelling diverse nummers meedansen en meezingen.

Entr'acte
Tussenspel dat zich afspeelt tussen de normale bedrijven, bijvoorbeeld om de spelers even rust te geven of om het decor om te bouwen.

Epiloog
Bij een voorstelling aan het einde vaak gebruikt om nadere uitleg te geven over de inhoud.


F

Farce
Komisch toneelstuk.

Figurant
Iemand die meespeelt maar verder geen tekst.

Fond
Achterdoek, meestal een zwart doek dat achter op het toneel hangt.

Foyer
Ruimte in het theater om iets te drinken, voorafgaand aan een voorstelling, in de pauze en na afloop.


G

Garderobe
De ruimte in het theater waar jassen gebracht kunnen worden.

Genre
Het soort voorstelling zoals bijvoorbeeld komedie.

Generale repetitie
Aan het einde van een periode repeteren heet de allerlaatste repetitie de generale repetitie.

Grime
De make-up/schmink die een speler krijgt voor zijn rol.

Grimeur
Degene die verantwoordelijk is voor het opmaken van de spelers.


H

Hoofdrol
Degene waar de voorstelling voornamelijk om draait.


I

Imitatie / Imiteren
Iemand anders nadoen.

Improvisatie
Het spontaan spelen zonder dat dit vast staat in een script.

Inspiciënt
Iemand die verantwoordelijk is voor alle rekwisieten op het toneel.

Interlude (Interludium)
Een instrumentaal tussenspel.

Intrige
De lijn van het verhaal.

Italiaantje
Tekstrepetitie, snelle doorloop van de tekst.


J

Jabbertalk
Niet bestaande taal vaak gebruikt door acteurs bij repetities en trainingen.

Jardin
Linkerkant van het toneel vanuit de zaal bekeken.


K

Kleinkunst
Vorm van podiumkunst.

Klucht
Een komisch genre, vaak met situaties die overdreven worden. Typisch voor een klucht is het gebruik van veel deuren.


L

Lichtplan
Een plan met alle lichtstanden gebruikt tijdens een voorstelling. Dus omschreven staat waar de lichten moeten hangen en wanneer deze aan en uit moeten.

Lichttafel
Apparaat waarmee alle lampen worden aangestuurd tijdens een voorstelling.

Lijsttheater
Een type theatergebouw bestaande uit een zaal en een toneel met hierboven een hoge ruimte voor licht en decorstukken. De eerste rijen met stoelen bevinden zich lager dan het toneel.

Loge
Een aparte ruimte in de zaal van een theater met meestal 2 tot 6 zitplaatsen en een eigen ingang.


M

Maquette
Een kleine kartonnen versie van het decor.

Matinee
Middagvoorstelling.

Mimiek
Gezichtsuitdrukkingen.

Mimespeler
Acteur die een verhaal verteld met gebaren, mimiek en lichaamstaal.

Monoloog
Éen persoon die aan het woord is.

Musical
Theatervoorstelling waarbij muziek, liedjes, dialogen en dans gecombineerd wordt.


N

Nulpunt
Vast punt op het toneel.


O

Open doekje
Een spontaan applaus van het publiek tijdens de voorstelling.

Orkestbak
Plaats, vaak net voor het toneel waar het live-orkest zit.

Ovatie
Een groot slotapplaus na afloop van een voorstelling.


P

Pente
Hellend toneel.

Personage
Een karakter in een voorstelling.

Plankenkoorts
De angst om op het toneel te staan.

Plopkap
Omhulsel om microfoon, vaak met een logo.

Plot
De structuur van een verhaal.

Poot
De zwarte gordijnen aan de zijkanten van het toneel waar spelers tussendoor lopen.

Première
Eerste officiële voorstelling voor publiek.

Proscenium
Het voorste gedeelte van het toneel.

Protagonist
Hoofdrolspeler op het toneel.


R

Reading
Het hardop lezen van het script met alle spelers.

Rekwisieten
Voorwerpen (Attributen - Props) die tijdens de voorstelling op het toneel worden gebruikt.

Repetitie
Het oefenen voor een voorstelling. De laatste repetitie is de generale repetitie.

Reprise
Het weer opnieuw opvoeren van een voorstelling, bijvoorbeeld na een eerste succesvolle reeks.


S

Scene
Sluitend deel van een voorstelling. Een voorstelling bestaat doorgaans uit een groot aantal scenes.

Script
De geschreven tekst van een voorstelling.

Sierdoek
Het meestal rode doek dat voor het toneel hangt om het decor nog niet prijs te geven.

Sketch
Een kort komisch optreden.

Speelvlak
De plek waarop gespeeld wordt.

Souffleur
Een persoon die de tekst volgt en acteurs hun tekst kan helpen herinneren indien nodig.

Synopsis
Een samenvatting van de voorstelling.

Swing
Een samenvatting van de voorstelling.


T

Theatercoup
Een onverwachte wending.

Theatersport
Komisch improvisatietheater voor publiek.

Theaterwetenschap
Een studie gericht op wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot alle vormen van theater.

Theatraal
Dramatisch en overdreven spel.

Toi toi's
Kleine presentjes die spelers elkaar voorafgaand aan de première geven om elkaar geluk te wensen voor de voorstelling.

Trekkenwand
De hijsinstallatie boven het toneel voor decorstukken.

Try-out
Proefvoorstellingen met publiek voorafgaand aan de officiële première. Zo kan men kijken hoe publiek reageert en zodoende eventueel nog wijzigingen doorvoeren.


U

Uit de rol vallen
Tijdens de voorstelling iets doen wat eigenlijk niet bij de rol hoort.

Underacting
Tegenovergestelde van overacting, dus op een ingetogen manier acteren.

Understudy
Speler die speelt als zowel de voor de rol gecaste speler als de alternate niet kunnen spelen.


V

Voetlicht
Het licht vooraan op het toneel.

Vierde wand
Als men spreekt over de vierde wand dan wordt de voorkant van het toneel bedoeld, een denkbeeldige wand.

Vlakkevloertheater
Een vaak kleiner theater waarbij het publiek op de eerste rij op hetzelfde niveau zit als het toneel, dit in tegenstelling bij een lijsttheater.

Volgspot
Een schijnwerper die een speler op het toneel volgt.

Vrijkaartjes
Gratis toegangskaarten voor een voorstelling.

Vrije sector
Commerciële producties die geen subsidie ontvangen.


W

Werklicht
Het normale licht boven het toneel.

Witje
Een korte pauze in een tekst om een zin of woord meer te benadrukken.

Wuivend riet
Wuivend riet wil zeggen dat het publiek in de zaal de slappe lach heeft.

W's
De vijf W's. Wie? Wat? Waarom? Waar? Wanneer?


Z

Zichtlijn
Het punt in de zaal waar nog net wel of net niet alles goed te zien is op het toneel.

Zetstuk
Een los decorstuk.